Noos
2% van de mensen boven de 18 jaar zijn noos, in Nederland zijn dat alleen al 220.000 personen. Deze mensen kunnen niet ruiken door een ziekte, door een val op hun hoofd of omdat ze (tijdelijk) verkouden zijn. Als je niet kunt ruiken proef je ook veel minder.
Hoe noos in het woordenboek zou kunnen komen te staan:
Noors, I. bn., op Noorwegen of zijn bewoners betrekking
hebbende:- II. zn. o., de taal van de Noren.
Noor'se, v. (-n), vrouw, meisje uit Noorwegen.
Noorweegs', (<Hd.) bn., (w.g., het gewone woord is: Noors)
van, uit Noorwegen: Noorweegse winterharing.
Noos, bn. bw. (nozer. -t), niet kunnende ruiken, niet met
reukvermogen begaafd zijn; hij is noos, hij kan niet
ruiken (minder of absoluut), oude mensen worden vaak wat
noos; een noos moedertje; ongevoelig voor geurprikkels;
zich noos ruiken, zo veel en zo gespannen ruiken dat men
niets meer ruikt; noos laten, ergens niet verder op in gaan.
In technische termen wordt noos anosmia genoemd, dit wil
zeggen het uitvallen of verminderen van de reuk. Er zijn
twee vormen van anosmia, I. Geleidingsanosmie: het verlies
van de reuk doordat de reukprikkel het in het bovenste
neusgang gelegen reukepiteel niet kan bereiken als gevolg
van een afwijking in de neus. II. Perseptie-anosmie: het
verlies van de reuk doordat het reukzintuig en/of de centrale
reukbanen zijn aangedaan. Marije Fransen 1998.
Noos'lijk, bn. bw., (-er), (gew.) spijtig, jammer.
I. Noot, v. (m.) (noten), 1. aantekeningen ter verklaring, aan-
vulling of beoordeling van de tekst van een boek of geschrift,
buiten die tekst aangebracht: een noot aan voet van de
bladzijde; de noten staan achterin; -2. (Eng.) document
getekend door zeelieden, waarin zij de maatschappij
machtigen een gedeelte van een gage op een spaarbank te
zetten of aan een familielid uit te betalen; thans meestal ceel
genoemd.
2% van de mensen boven de 18 jaar zijn noos, in Nederland zijn dat alleen al 220.000 personen. Deze mensen kunnen niet ruiken door een ziekte, door een val op hun hoofd of omdat ze (tijdelijk) verkouden zijn. Als je niet kunt ruiken proef je ook veel minder.
Hoe noos in het woordenboek zou kunnen komen te staan:
Noors, I. bn., op Noorwegen of zijn bewoners betrekking
hebbende:- II. zn. o., de taal van de Noren.
Noor'se, v. (-n), vrouw, meisje uit Noorwegen.
Noorweegs', (<Hd.) bn., (w.g., het gewone woord is: Noors)
van, uit Noorwegen: Noorweegse winterharing.
Noos, bn. bw. (nozer. -t), niet kunnende ruiken, niet met
reukvermogen begaafd zijn; hij is noos, hij kan niet
ruiken (minder of absoluut), oude mensen worden vaak wat
noos; een noos moedertje; ongevoelig voor geurprikkels;
zich noos ruiken, zo veel en zo gespannen ruiken dat men
niets meer ruikt; noos laten, ergens niet verder op in gaan.
In technische termen wordt noos anosmia genoemd, dit wil
zeggen het uitvallen of verminderen van de reuk. Er zijn
twee vormen van anosmia, I. Geleidingsanosmie: het verlies
van de reuk doordat de reukprikkel het in het bovenste
neusgang gelegen reukepiteel niet kan bereiken als gevolg
van een afwijking in de neus. II. Perseptie-anosmie: het
verlies van de reuk doordat het reukzintuig en/of de centrale
reukbanen zijn aangedaan. Marije Fransen 1998.
Noos'lijk, bn. bw., (-er), (gew.) spijtig, jammer.
I. Noot, v. (m.) (noten), 1. aantekeningen ter verklaring, aan-
vulling of beoordeling van de tekst van een boek of geschrift,
buiten die tekst aangebracht: een noot aan voet van de
bladzijde; de noten staan achterin; -2. (Eng.) document
getekend door zeelieden, waarin zij de maatschappij
machtigen een gedeelte van een gage op een spaarbank te
zetten of aan een familielid uit te betalen; thans meestal ceel
genoemd.
